Laat ik beginnen met een motto.
Het motto is van de filosoof, theoloog Adzer van der Molen en komt uit zijn laatste boek; ‘Het landschap als personage; over de onrust van de melancholie’.
‘Er is geen werkelijkheid, er zijn alleen metaforen.’
‘De mens is wat mij bezielt. Het gaat niet over mij, het gaat over ons.’
Als ik naar Adzers werk kijk, kijk en kijk gaat er in mijn hoofd een ondertiteling lopen. Terwijl ik kijk gaat in het hoofd kijken over in zien, dan kijk ik naar wat Adzer noemt een metaforisch landschap.
Hoe zit dat dan? Een klein stukje theorie.
Kunst en zeker het werk van Adzer zoekt een bepaalde verhouding tot en omgang met de werkelijkheid, die ze niet klakkeloos reproduceert maar interpreteert, accentueert of nuanceert.
“Kunst brengt een interval tussen zien en beschouwen teweeg waarin juist onze eigen verbeeldingskracht wordt aangezwengeld. We zullen zelf aan de slag moeten om datgene wat we zien te doorgronden en van een interpretatie te voorzien.
Kunst schept, als het goed is, een interval tussen kijken en begrijpen, tussen vervreemding en herkenning, een moment van hapering kortom, dat ons vervolgens zelf aan het denken zet.
Het denken reproduceert dan niet langer gevestigde meningen maar het nieuwe in de zin van het nog niet gedachte. De loop der dingen wordt onderbroken om een andere richting te bepalen.
Dit moment biedt een paradoxale ervaring van tijd. Het is de ‘festina lente’. Het is ‘haast u langzaam’ waarover Erasmus al geschreven heeft.
Het is de tijd die niet van buiten af wordt gedicteerd, zoals de kloktijd, nee, het is de tijd die van binnenuit intuïtief aangevoeld wordt en al wat zich daar aan innerlijk, aan herinneringen, aan persoonlijke geschiedenissen verscholen houdt, naar boven haalt.” (Joke J. Hermsen)
Als ik Adzers werk zie, zijn streven, dan zie ik zijn gevecht met de tijd, met de mens, het gevecht ook met het geheugen. Is er iets over te zeggen? Hoe laat ik het zien? Wat laat ik zien? En hoe?
In zijn ‘portrettengalerij’ van kleuren, van lijnen, wegen, van water, van huizen, schuren, opritten, bossages, vinden we beelden van ons eigen innerlijk; zien we illusieplekken waarmee we ons vast proberen te houden in de tijd waarin we leven.
Kijk om u heen.
Adzer mengt filmstills, televisiebeelden, foto’s zonder dat één detail is verzonnen. Het zijn citaten. Hij schildert zijn metaforen. Hij onderzoekt de fysiologie van het kijken die nog door niemand is doorgrond. Hij probeert die demon van het kijken die demon van het moeten schilderen uit de diepte van een verwoestende cultuur los te breken. Hij probeert tijd om te woelen in het schimmige lamplicht van een steeg, een straat, een oprit.
Hij voelt zich verbonden met de eeuwen voor hem. Je ziet in zijn werk geborgenheid tegenover dreiging. Het is een spel van intensiteiten.
Dinsdagmiddag 3 oktober 2017 ben ik in het atelier van Adzer. Broedplek Acta in Nieuw West Amsterdam.
Zijn werk hangt er, staat er. Hij is bijna klaar voor zijn tentoonstelling. Een aantal kleine werken is wel af, is niet af. Hij weet het nog niet.
Hij laat mij zijn palet zien, waarop een aantal tubes liggen. Vier. ‘Hier werk ik mee, met deze tubes. Van Dijck bruin, ultramarijn violet, sapgroen, napelsgeel roodachtig. De eerste drie zijn transparant.’ Al zijn schilderijen maakt hij met deze kleuren.
Hij laat me nog iets zien. Adzer heeft een lange lijst met titels. Hij pakt een van de titels als hij een werk af heeft en bedenkt dan of de titel klopt. Adzer werkt aan een reeks. Hij heeft een programma. Hij heeft een verhaal te vertellen.
Ik zie ook zijn kleine doek ‘Prodigal’ (de verloren zoon). We zien een ontvangstgebouw. We staan aan de overkant van de straat, een stoep leidt naar de ingang via een aantal traptreden. In de gevel drie grote zwarte rechthoekige vlakken, aan weerszijden daarvan grote bomen. Dit is Arlington. Achter deze gevel staan duizenden kruisen; gesneuvelde Amerikaanse soldaten. We zien alleen een decor; je voelt een onderhuidse spanning. Er is iets gebeurd, of er staat iets te gebeuren. Het is dreigend, naargeestig, onbestemd. Het lijkt raadselachtig ook. Adzer heeft de regie in handen. Hij kiest voor de titel ‘verloren zoon’ en laat ons een onschuldig ontvangstgebouwtje zien. Daarachter het beeld van de kruizen, van macht, geweld, oorlog.
Is dit zijn ironie? Ironie zet vorm op losse schroeven zonder hem te vernietigen en zorgt er tegelijkertijd voor dat het kunstwerk een open kunstwerk blijft.
Wij moeten het werk afmaken. Ik heb al eerder verteld hoe. Bij het werk van Adzer gaat het om betekenis. Het is conceptueel. Elk schilderij is deel van een verhaal, vaak een groot verhaal.
Een van zijn gasten op een vorige tentoonstelling zei het zo: ‘Als ik voor je schilderijen sta, wil ik er in, maar ik wil er ook meteen weer uit.’
Luc Tuymans zag op zijn 17e een schilderij van El Greco en besefte toen wat schilderkunst werkelijk betekende: ’El Greco maakte me duidelijk dat een schilderij moet verschijnen, de kijker confronteren en dan weer verdwijnen als een soort terugtrekking.’
Adzer monteert zijn beelden. Hij gebruikt ogenschijnlijk onschuldige beelden om zijn verhaal over macht, religie en geweld te laten zien.
Iets over de titel van de tentoonstelling. C’mon Pilgrim.
Het verwijst naar de pelgrim in het religiegedeelte hier in dit museum.
C’mon Pilgrim is een ouderwetse aansporing. Amerikanen noemen als hun morele kader ook graag de Pilgrims. De Pilgrims worden ook gezien als de belichaming van de vrijheidsideologie. Pelgrimage is ook erg in de mode. En zijn wij niet allen zoekende naar een hoger doel?
C’mon Pilgrim is een citaat van een christian rocker, dat vervolgens als Come on Pilgrim diende als titel van de eerste elpee van de indiesurfband The Pixies.
In 1987 brachten zij de plaat uit. Een debuut. Thema’s o.a. geweld en religie. Een aantal nummers gaat over incest. De muziek is een combinatie van punk, indie en surfrock. Vernieuwend voor die tijd.
Meer over titels.
Adzer durft grote verhalen aan te raken, aan te boren. Zie zijn titels; ‘Epiphany’ (goddelijke openbaring), ‘Voici le temps’, ‘This was a vision’, ‘A True Story’, ‘Redemption’(Verlossing).
Zijn het te grote woorden? Passen ze op zijn werk? Of ontnemen ze het zicht op zijn werk?
Ik kijk met steeds grotere aandacht naar het werk. Steeds maar weer zie ik meer. Kijk naar de soorten licht. Het wit is geen wit; het is steeds weer een ander wit. De gelaagdheid is groot. Let op de tijdstippen, de momenten van de dag, de vergezichten, de huizen uit de film, het water, de soorten water, de bomen, de verschillende soorten struiken, de gebouwen, de schuren.
Adzers donkere kleuren zijn licht. Hij zegt zelf over zijn “zwart-wit” gebruik: ’Voor mij is het wel degelijk kleur; ik gebruik nooit zwart, ik heb geen zwart. Lagen transparante kleuren.’
Is het werk messianistisch? Een zoektocht naar verlangen? Is de maker verlost? Van wie of wat? Van zichzelf?
Wat een zoektocht. Want dat is het. Zijn titels suggereren dat. Naast het verhevene zit het aardse. Zie zijn ‘Lodge’, zijn ‘Outpost’. Zijn tussen hemel en aarde hangende kabelbaan met cabines. Een mooi ironisch portret van een romanticus.
Het zijn allemaal metaforen voor een ander inzicht. Dat is het bijzondere aan zijn werk.
Het is paradoxaal. Je blijft kijken, je moet kijken, stamelend vragen stellen.
Ik zoek, kijk, tast af. Laat Adzer een ontvolkte wereld zien? Nergens een mens te bespeuren. Nergens, nergens. Waar is iedereen? Is er iets gebeurd? Gebeurt er iets? Wat we zien bestaat ergens. Ik heb het al gezegd over ‘De verloren zoon’; Arlington. Elk beeld is een verhaal. Een verwijzing. Maar alles staat er strak en onthecht bij in een tijdelijk beeld. Het werk heeft diepte maar is ook een plat plaatje. Deze paradox zorgt voor een leegte die de doeken uitstralen. En misschien is die leegte wel de ziel van alle schilderkunst.
Alles draait om het kijken. Dat geldt in twee richtingen. Goede schilderijen kijken ook.
Het lijkt stil en leeg in deze doeken. Er zit zoals ik eerder zei ironie in.
De schilderijen zijn op zoek naar ons. Zijn zijn doeken op zoek naar ons? Wat een prachtige omkering. Dat is dus de ironie ten top. Het doek kijkt terug. Ze hypnotiseren ons, lokken ons.
Het landschap zoekt jullie. Vragen ze om verlossing?
Adzer laat ons de tijd zien; ‘Voici le temps’. Maar op een ironische manier. Wij staan hier ontvankelijk te zijn, ontheemd ook, ontworteld. Want hoe ontkom je aan jezelf, aan de tijd?
Adzer laat z,g. verlaten plekken zien; maar het zijn ‘portretten’ van ons, van de wereld. Hij laat in deze metaforen zien wie en wat we zijn. Het is een pelgrimstocht, maar ook een dwaaltocht. Pelgrimstochten worden gemaakt naar oorden waar verlossing wacht maar ook waar leed kan wachten, gezien wordt.
Ik woel wat, stel vragen, kijk. Adzer zoekt in zijn verf, in de oppervlakte van het doek, in zijn afbeeldingen naar de huid van de tijd en in zijn werk en dat krijgt hij voor elkaar, wordt kijken zien of zelfs turen.
Er tocht licht door in zijn werk. Adzer tast kleur af maar vooral licht want daar zitten de kleuren in. En tegelijkertijd citeert hij en werkt hij met, misschien is beter: speelt hij het spel van de hoge en lage cultuur. Het zijn uiteindelijk bijzondere dwaaltochten die we over het oppervlak kunnen maken , daar waar kijken, kunst en wereld samenkomen.
Ik verklaar deze tentoonstelling nu voor geopend!
(Met dank aan Joke J. Hermsen, Joost Zwagerman, Jurriaan Benschop, Bernard Dewulf, Adzer van der Molen)